Eerste hoofdstuk
Het dertiende uur
Marjet van Cleeff
Ochtend
Eind augustus, zaterdag. 04:45 uur
Ment deed zijn ogen open en gaf automatisch een klap op
zijn wekker. Pas toen keek hij hoe laat het was. Kwart voor
vijf! Belachelijk, de dag was nog niet eens echt begonnen. Het
was doodstil buiten, zelfs voor de vogels was het nog te vroeg.
Door het openstaande raam zag hij vaag het zwarte silhouet
van de hoge beuk in de achtertuin. Hij ging op zijn rug liggen
met zijn handen achter zijn hoofd en staarde voor zich uit.
Het zou een rotdag worden, dat stond vast.
Vandaag ging Julius weg. En niet eventjes voor een paar
weken, maar lang: minstens voor een half jaar. En als het hem
beviel daar in Canada, bleef hij misschien nog wel langer.
De afgelopen maanden had Ment het steeds voor zich uit
kunnen schuiven, had hij net gedaan of het hem niet aanging.
Hij wou niet zielig doen. Hij had samen met Julius naar
de foto’s op de site van de Canadese universiteit gekeken.
Het zag er allemaal prachtig uit: een deftig gebouw, enorme
gazons met hoge fonteinen, een meer waar al die fantastische,
gespierde studenten zomaar in konden zwemmen of
met een wit zeilbootje op konden gaan varen. En elk weekend
kon Julius in de bergen gaan klimmen, want die bergen lagen
zo’n beetje om de hoek van de universiteit. Hij had met Julius
gegrinnikt om de universiteitsregels en hij was met hem mee
de stad in gegaan om nieuwe kleren en goede schoenen uit te
zoeken. Allemaal voor dat stomme rot-Canada, waar Julius zo
nodig heen moest.
Gisteravond had mama een ‘afscheidsdinertje’ gegeven. Zo
noemde ze dat tenminste. Maar het was gewoon een soort verjaarseten
geweest, maar dan zonder opa en oma en mét een
sentimentele toespraak van mama en een cadeautje (‘dat je
daar elke dag kunt gebruiken, lieve schat’). Een vulpen. Julius
had allang een vulpen en die gebruikte hij nooit. En het eten
was niet eens lekker geweest, want mama kon niet koken en
papa had geen tijd gehad om iets behoorlijks klaar te maken.
Papa had bij het toetje nog wat gemompeld over ‘toekomst
in eigen hand nemen en kansen grijpen’ en dat soort onzin,
maar daar had mama doorheen gepraat omdat ze niet doorhad
dat het ook een toespraak was.
Het was allemaal goed gegaan, totdat Julius en hij samen
naar boven liepen om te gaan slapen. Halverwege de trap zei
Julius opeens: ‘Hé, Ment, als je zin hebt, kun je eigenlijk best
mijn kamer nemen, die is veel groter. Waarom niet? Wanneer
kom ik hier nou terug?’
Ment had niks gezegd en was naar boven gerend. Het lukte
hem nog net om de deur van zijn kamer níét keihard achter
zich dicht te slaan. Hij was in bed gekropen en had zijn vingers
in zijn oren gestopt om maar niet te hoeven nadenken.
Maar dat had geen zin. Voor het eerst sinds al die maanden
van afscheid nemen begreep hij dat Julius ook ná Canada
hier niet meer zou komen wonen. Dat het nooit, nooit meer
zou zijn zoals het tot nu toe was geweest. Dat alles vanaf nu
anders werd. Dat zijn broer echt wegging. Voorgoed.
En over anderhalve week begon ook nog eens de nieuwe
school. Stom gedoe allemaal.
Ment draaide zich op zijn rechterzij en deed zijn ogen
dicht.
Als ik nou heel veel slaap, gaat de tijd sneller, bedacht hij.
Hij voelde dat er iets niet klopte in de redenering. Maar voordat
hij de fout had gevonden, sliep hij alweer.