Eerste hoofdstuk

Voorgoed verdwenen?
Lydia Rood & Niels Rood

Beer en Rat


Tije sneed een scherpe punt aan een stok. Het was een mooie rechte tak, een speer of een spit of een vlaggenstok voor op een vlot... Eigenlijk stond hij op Bas te wachten. Ze hadden hier op de hoek afgesproken, Tije en Stefano en Bas. Daarna zouden ze wel zien wat ze gingen doen. Stefano was er, maar Bas liet op zich wachten.
Om hen heen klonk het gonzen van de zomer. Insecten, de verre snelweg, een grasmaaier, zelfs het ruisen van de beek in het bos kon je hier al horen. Een mannenstem klonk er luid doorheen: ‘We gaan toch niet moeilijk doen, makker?’ Tije sloeg er geen acht op. Waar bleef Bas nou? Die zat met deze hitte toch niet te gamen, ofzo?
‘Ik wacht niet meer, hoor,’riep Tije zonder om te kijken naar Stefano. ‘Hij zoekt het maar uit.’
Stefano antwoordde niet. Tije draaide zich om. Stefano stond bij het hek van het bouwterrein. Hij had zijn handen om de spijlen geklemd. Aan Stefano’s schouders kon Tije zien dat hij iets spannends zag. Hij smeet de tak in de struiken, klapte zijn mes dicht en kwam dichterbij. Hij tuurde over Stefano’s schouder.
Het bouwterrein aan de bosrand was niets bijzonders. Het lag er verlaten bij nu het bouwvakvakantie was. Maar midden op het terrein was iets aan de gang. Twee mannen stonden heftig te praten en elkaar te duwen. De ene was zichtbaar boos. Het was een kleerkast van een vent. Hij droeg een wit overhemd en een zwarte broek die niet over zijn buik heen paste. De andere was mager en stond een beetje gebogen. Hij droeg een rafelige spijkerbroek, sportschoenen en een zwart trainingsjack, wat raar was met die warmte. De magere stond er volkomen op zijn gemak en zelfs uitdagend bij. Hij duwde alleen terug als de kleerkast hem aanviel.
‘Zouden ze gaan vechten?’ vroeg Tije.
‘Dat dacht ik dus effe niet...’ brulde de kleerkast.
‘Dat is die aannemer,’ zei Stefano. ‘De Bruin. Hij is de baas van de bouw volgens mij.’
Op dat moment haalde die De Buin uit om de ander een kaakslag te geven. Op het laatst hield hij in. De magere was blijven staan zonder zich te verroeren. Hij zei iets, al konden ze niet horen wat. Treiterig stak hij een hand uit, de palm naar boven. Weer haalde de aannemer uit, en weer bedacht hij zich. Hij stak een hand in een achterzak en haalde er iets bruins uit. Zo te zien een dubbelgevouwen envelop.
‘En nou héél gauw opsodemieteren of ik...’ Hij maakte de zin niet af. De magere pakte de envelop aan en keek erin. Zelfs op die afstand zag Tije hem grijnzen. Daarna slenterde hij in de richting van het hek. Stefano greep Tijes hand en trok hem achter de rododendrons aan de zijkant van het terrein. Tije zag nog net hoe De Bruin met driftige stappen ook op het hek af kwam. Hij duwde in zijn haast de magere aan de kant.
‘Wat valt er te zien!’ riep hij woedend naar de Tije en Stefano. ‘Opzouten jullie!’ Zijn vierkante gezicht was rood aangelopen. Hij deed Tije aan iemand denken, maar wie? Meegetrokken door Stefano rende hij om de rododendrons heen, de hoek om naar hun eigen straat. Daar stonden ze even uit te hijgen.
‘Dat is geen lekkere,’ zei Stefano. ‘Laten we hier maar even wachten.’
Op dat moment kwam de aannemer de hoek om. Ondanks zijn dikke buik kon hij hard rennen.
‘Misschien moesten wij eens even praten,’gromde hij.
Tegelijk gingen Tije en Stefano ervandoor. Omhoog langs de bosrand. Tijes huis was vlakbij. Maar de aannemer haalde hen in. Zijn gehijg klonk vlak achter hen.
‘Het bos in!’ riep Tije. Meteen dook hij opzij, de struiken langs de bosrand in. Even later vond hij het sluippaadje naar de beek. Hij schoof onder een paar lage takken door en keek even om naar Stefano, die twee passen achter hem rende. Waarschijnlijk zou hun achtervolger zich klem lopen in het struikgewas.
Op de hoge oever van de beek hielden ze hijgend in. Gekraak van brekende takken gaf aan waar de aannemer door de struiken stormde. Toen hield het op. Stefano kneep in Tijes arm en legde zijn vinger op zijn lippen. Tije hield zijn adem in.
‘Laat ik het niet merken!’ bulderde de aannemer door het bos. Toen gingen de geluiden de andere kant weer op, met minder geweld nu. Toen ze voorzichtig uit het bos kropen, schoot een chocoladekleurige Mercedes over de weg voorbij.
‘Mooi,’ zei Stefano. ‘Hij is weg.’
‘Wat had die kerel?’ vroeg Tije zich hardop af. ‘We deden toch niks?’
‘Die vechtpartij,‘ zei Stefano. ‘Misschien hadden we die niet mogen zien.’
‘Wat kan ons dat nou schelen,’ zei Tije.
Ze liepen terug naar de hoek. Daar stond Bas om zich heen te kijken. Toen hij Tije en Stefano zag, kwam hij aanlopen. Bas dribbelde altijd een beetje, omdat hij zo klein was. Zo lang mijn hersens maar groeien, vond hij zelf.
‘Waar bleven jullie nou, man,’ zei hij. ‘Ik sta hier al uren te wachten!’
Stefano gaf hem een schouderduw waardoor hij bijna omviel. Tije grinnikte alleen.
‘Wat nou!’ Bas keek opzichtig op zijn nieuwe horloge. ‘Halftwee had je gezegd.’
‘Er kwam wat tussen,’ zei Tije. ‘Hé, ik weet wat: we gaan een dam bouwen in de beek. Lekker koel.’
‘Morgen dan,’ zei Bas. ‘Ik kwam jullie halen. Ze hebben een bom opgegraven bij het voetbalveld.’

De grote zwerfkei glibberde uit Etiennes handen. Tije kon hem in zijn eentje niet houden en moest hem laten vallen ‒ bovenop zijn blote teen.
‘Wat doe je nou, man!’ Hij vloekte van de pijn. Ze waren vanochtend pas begonnen met het bouwen van een dam in de beek. Gistermiddag hadden ze geprobeerd iets te zien te krijgen van de bom, maar dat was op een teleurstelling uitgelopen. Ze hadden alleen maar rood‑witte linten en politieruggen gezien. Een dam bouwen was veel leuker, vond Tije. Alleen had hij die slome nooit mee moeten laten doen. Met alleen Bas en Stefano ging het beter. Maar Tije kon niet goed nee zeggen tegen Etienne. Hij kon je zo gekwetst aankijken, met zo’n blik alsof hij er niks van begreep.
‘Sorry!’ zei Etienne met zijn ogen op groot. ‘Maar je moet niet vloeken.’
Tije keek naar de kei in het water. Hij was precies tussen twee andere stenen in het water terechtgekomen.
‘Nou ja, hij ligt daar ook wel goed,’ zei Tije. Pijn voelde hij niet omdat zijn voeten versteend waren in het koude water.
Het dammetje was nog niet waterdicht; tussen de grote keien door siepelden overal straaltjes en stroompjes. Dat kwam door Patrick, die lukraak veel te grote stenen in de beek smeet in plaats van te passen en te meten, zoals Tije zelf deed.
Patrick was met Etienne meegekomen. Die twee zaten samen op een andere school dan Tije, Stefano en Bas. Patrick praatte ook anders. Hij was lang en sterk en misschien ook ouder dan zij. Tije wist niet goed wat hij aan hem had.
‘We moeten wat taaie stokken hebben,’ zei Bas. ‘Dan kunnen we een vlechtwerk ma... shit!’ Hij stokte.
Tije volgde zijn blik. Boven langs het pad liep een man met een hond. De man had een neus als een mes. Slierten donker haar waren over zijn kale schedel gekamd. De hond had korte poten en een brede bek. De man had hen nog niet in de gaten, maar de hond loerde naar hen.
‘De Rat!’ zei Patrick gedempt. Hij dook in elkaar en greep Tije bij de arm, waar Tije even van schrok. ‘Dat is een verrader! En dat beest is een monster!’
‘Stil blijven staan!’ siste Stefano.
Dat had hij van een film, wist Tije. Mensen letten op beweging. Niet bewegen was zo goed als onzichtbaar zijn. En de man mocht hen niet zien, want een beek afdammen was natuurlijk verboden.
Even later was de man die Patrick de Rat noemde uit het zicht verdwenen, en zijn lelijke hond ook.
‘Ik schrok, man,’ zei Tije tegen Patrick. ‘Wie is die vent?’
‘De Rat,’ herhaalde Patrick. ‘Hij woont naast ons. Een ontzettende gluiperd, zegt de ouwe. Vanwege hem hebben wij een geheim telefoonnummer genomen. Hij zit altijd te gluren en hij geeft alles door. Als die ons had gezien, zaten we nu op het politiebureau.’
‘Hij is nou toch weg,’ zei Bas ongeduldig. Die dacht alleen maar aan zijn vlechtwerk. Hij begon een heel verhaal over de dammen van bevers.
Tije liet hem maar praten. Bas was een betweter, koppig en eigenwijs, en nog een klein opdondertje ook, maar hij zou Tije nooit laten vallen – en andersom ook niet.
‘Goed, stokken dus,’ zei Tije toen Bas eindelijk uitgepraat was.
‘Wij gaan wel zoeken,’ zei Patrick. ‘Etienne en ik.’
Er waren genoeg takken te vinden in het bos. Etienne en Patrick sprongen over de beek en verdwenen tussen de bomen. Tije bleef aan de straatkant, waar overal vlierstruiken groeiden. De jonge takken kon je zó afbreken, en toch waren ze buigzaam.
‘Wat doe je?’ De stem van zijn zusje. In de groene schemering zag Tije haar staan. Hij zuchtte. Ze was pas negen, maar ze vond zichzelf groot genoeg om met hen mee te doen. Als hij dat weigerde, moest hij van zijn moeder met haar in de tuin blijven. Hij verdacht Guusje ervan dat ze daar gebruik van maakte.
‘Ik zoek takken. We maken een dammetje in de beek.’
‘O, gaaf! Ik doe ook mee.’
‘Maar je houdt je kop, hoor! Het mag niet.’
‘Nou en,’ zei Guusje stoer. ‘Waar is dat dammetje?’ Ze liep Tije voorbij en verdween in de richting van de beek. Tije rausde gauw een paar vliertakken mee en ging achter haar aan. Lastig, dat hij nou op zijn zusje moest passen.
Maar toen hij bij de beek aankwam, was zij er al niet meer. Hij hoorde haar stem ergens tussen de bomen op de hoge oever. Tije begon zijn takken in de beekbodem te boren. Ach, Guusje viel ook eigenlijk wel mee.
Opeens klonk er woest geblaf stroomafwaarts. Een man schreeuwde.
‘Guusje!’ riep Tije. Viel die hond haar aan?
Hij krabbelde tegen de mossige oever op en rende over het pad. Het blaffen werd nu echt uitzinnig, en de baas ging zo te horen ook over de rooie.
Over het bruggetje haalde Stefano Tije in. Bovenop een aarden wal stond Stefano zó plotseling stil dat Tije tegen hem op botste. Stefano wees en grinnikte.
Het was een raar gezicht. Onderaan de wal was een hek, en daarachter begon het bouwterrein. De kale vent, de Rat, lag op zijn knieën bij het hek en rukte aan de lijn van de hond. De hond was door een gat in het gaas gekropen en niet meer te zien. De man kon er niet achteraan, want hij paste niet door het gat. Zijn kin en wang lagen tegen het gaas, zijn arm stak door het gat, en werd zowat uit de kom gerukt. De hond had de lijn helemaal tot aan het einde uitgerekt. Wat had dat beest? En waar was Guusje?
Tije keek om zich heen. Guusje zag hij niet, maar de anderen kwamen wel aanrennen, Patrick voorop. Ze liepen het bruggetje over en klommen tegen de aarden wal op.
‘Dat beest mag daar dus helemaal niet komen,’ zei Patrick zachtjes. ‘Dat is het terrein van mijn vader. Als de ouwe dat ziet...’
Tije keek hem vragend aan. Was aannemer De Bruin Patricks vader?
Patrick begreep hem verkeerd.
‘Bouwvak,’ zei hij. ‘Er is nu niemand.’ Hij wees op het gat in het hek. ‘Daar kruip ik wel eens door.’
De hond was nog steeds aan het blaffen. Ze liepen een stukje en zagen het dier toen eindelijk. Het stond een eind verder aan zijn lijn te rukken. Het hek liep daar omhoog over een klein heuveltje. Er moest een hol in zijn, want de hond verdween er voor de helft in, rukkend en springend en blaffend.
‘Dat beest lijkt wel hondsdol,’ zei Bas. ‘Rabiës. Ook besmettelijk voor mensen. Dodelijk.’
‘Kop dicht, professor,’ zei Patrick. ‘Ik ga die vent eens even leren wie er de baas is...’ Opeens liet hij zich onverwacht op de grond vallen. Aan de andere kant van het bouwterrein was de deur van een keet opengegaan. Een man kwam met nijdige stappen aanlopen. Zijn witte overhemd stond open, zijn zwarte broek paste niet om zijn buik heen... Aannemer De Bruin.
‘De ouwe!’ siste Patrick.
Ook Etienne liet zich nu tegen de wal aan vallen. Tije en Stefano volgden het voorbeeld maar, ook al vond Tije het gek. Wie verstopt zich nou voor zijn eigen vader? Ze deden toch niks?
Voorzichtig tilde Tije zijn hoofd op. De Bruin ging nu woest tekeer tegen de Rat, die dus zijn buurman was. De aannemer hield duidelijk niet van indringers op zijn terrein.
‘Sodemieter op met dat misbaksel! De volgende keer knal ik hem af.’
Tije keek Patrick van opzij aan. Als zijn vader zo tekeerging, zou hij zich schamen. Maar Patrick leek niets bijzonders te horen.
De Bruin pakte de hondenlijn en gaf er zo’n enorme ruk aan, dat de hond piepte alsof hij stikte. Nog een paar van die rukken, een fluitje van zijn baas – en de hond rende terug. Hij wrong zich door het gat in het hek en ging hijgend naar zijn baas zitten kijken. De Rat aaide het monster over zijn lelijke kop.
‘Wat is er dan, mannetje?’ vroeg hij. ‘Heeft de boze beer je pijn gedaan?’
Tije en Stefano keken elkaar aan en draaiden met hun ogen.
‘Patricks vader heet Beer,’mompelde Etienne. ‘Daarom.’
‘Ik denk dat daar ergens een dood beest ligt,’ zei de Rat luider tegen Patricks vader. ‘Daar wordt hij zo opgewonden van. Hij heeft geleerd te apporteren.’
‘Niks! Op mijn grond? Geen kadavers, geen mollen, niks. Nog geen hondenkeutel. Ik zal mijn eigen terrein niet kennen. Wegwezen nou, anders stuur ik voor de verandering jou de juten op je dak.’ Het klonk dreigend. ‘Het houdt verdomme niet op vandaag! Als iedereen zich nou eens met zijn eigen zaken bemoeide...’ Hij maakte zijn zin niet af en draaide zich om.
De Rat klom de wal weer op met zijn hond kort aan de lijn. Tije en zijn vrienden schoten naar beneden en kropen in het struikgewas. De man en de hond gingen terug naar het bruggetje. Ze hoorden hem mompelen.
‘Windbuil. Waaks als een kalkoense haan. Maar intussen.’
Tije en Stefano keken elkaar aan en proestten onderdrukt. Maar Tije was er niet gerust op. Die hond was levensgevaarlijk, en zijn baas spoorde ook niet helemaal.
‘Dat was de tweede keer al vandaag. Wat is er toch met dat bouwterrein?’ vroeg Tije gedempt aan Patrick. ‘Jouw vader gaat helemaal over de rooie als er iemand in de buurt is. Heeft hij er een kist met geld begraven of zo...’ Zwart geld, dacht hij.
‘Wat denk je dat die machines kosten!’ zei Patrick aangebrand. ‘Logisch dat die ouwe niet wil dat iedere oetlul daar maar komt snuffelen. Laat staan die Rat!’
De man en zijn hond waren nu aan de overkant van de beek in het bos verdwenen. Dichterbij hoorden ze Guusje roepen.
‘Tije, kom eens? Moet je kijken!’
Tije liep langs de wal. Hij zag alleen Guusjes hoofd en schouders; ze stond in een droge greppel ergens naar te kijken. Toen Tije dichterbij kwam, zag hij dat het een donker gat was, vol rotzooi. De greppel kwam erop uit. Tije sprong ook in de greppel. Ja, een donker rond gat vol takkentroep. Waar diende het voor? Hij stak zijn hoofd erin.
‘Niet doen!’ zei Guusje. ‘Spinnen en zo.’
Ze had gelijk, het gat zat vol spinnen. Het was een tunneltje. Toen zijn ogen aan het donker gewend waren, zag Tije dat het gebouwd was van bakstenen, die nu vol mos zaten. Ze waren rond gemetseld, als een gewelf.
‘Hé, jongens,’ riep hij. ‘Een geheime gang!’
Stefano, Patrick en Etienne kwamen aanrennen. Bas kwam er op zijn gemak achteraan. Bas geloofde niet in rennen. Hij zei dat nadenken beter werkte.
‘Wauw!’ zei Stefano. ‘Zou er een schatkamer achter zijn of zo? Of een schuilkelder uit de oorlog?’
‘Dan is die op mijn vaders grond,’ zei Patrick, ‘en daar is niks. Ook geen kisten met geld.’
Het tunneltje liep inderdaad in de richting van het bouwterrein. Dat verpestte de lol een beetje.
Bas had hen bereikt.
‘Is dat alles?’ vroeg hij. ‘Gewoon een duiker.’
‘Een wat?’ vroeg Stefano.
‘Een duiker. Om water onder de grond door te leiden.’
Bas keek de droge greppel af. Die liep in de richting van hun dam.
‘Kijk die greppel...’ zei hij nadenkend. ‘Weet je wat ik denk? Dat was vroeger de beek. Hier ging hij door de aarden wal heen naar de andere kant. Nu maakt hij aan deze kant een bocht. Ze hebben hem natuurlijk omgeleid toen onze wijk werd gebouwd.’
Tije veegde de spinnenwebben uit zijn haar.
‘Daar kun je best eens gelijk in hebben.’
‘Hé,’ zei Etienne opeens.
Tije schonk er geen aandacht aan. Etienne was een ongelooflijke slome. Tije had Etienne nog nooit iets horen zeggen dat hij niet vijf minuten eerder zelf al had bedacht. Of vijf jaar.
Etienne hield vol: ‘Die hond van daarnet, hè? Die stond bij dit tunneltje te blaffen. Maar dan aan de andere kant!’
‘Klopt,’ zei Patrick. ‘Ik heb het andere uiteinde wel eens gezien. De ouwe wou het gat volstorten met beton, maar dat mocht natuurlijk weer niet van de gemeente.’
Tije keek even naar Stefano, want zijn moeder zat in de gemeenteraad. Maar Stefano leek het niet te kunnen schelen wat Patrick van de gemeente vond.
Even staarden ze nog naar het tunneltje, maar de magie was eraf. Geen geheime gang, gewoon een oud tunneltje voor water.
‘Kom,’ zei Bas, ‘we gaan een stuwmeer maken.’
Ze draaiden zich om.