Eerste hoofdstuk
Onder schot
Edward van de Vendel
Ze waren bijna dertien, ze waren tweelingbroers en ze bevonden zich op verboden gebied.
Niemand had hen door het hek zien gaan, daar achter in de tuin. Hun tante was naar het dorp, voor boodschappen of zo. En hun oom werkte in zijn vlinderkas.
Natuurlijk, Jasper en Siem hadden hun ouders beloofd om braaf naar oom Geert en tante Muriël te luisteren. En oom Geert en tante Muriël hadden wel honderd keer gezegd dat ze in het bos in de tuin mochten. Dat dat groot genoeg was. Dat ze er nooit in konden verdwalen, omdat de paden zo waren aangelegd dat die altijd weer naar de bijkeuken leidden.
Maar ze hadden ook gezegd dat het hekje achterin dichtzat en dicht moest blijven.
En dat was dus niet zo.
Het zát niet dicht.
Voor Jasper hoefde het niet zo nodig. Maar zijn broer Sijmen, die meestal Siem werd genoemd, trok hem mee. ‘Kom nou,’ zei hij, ‘ik wil gewoon even weten waar het is, dat hekje...’
Ze waren eraan gaan voelen.
‘Het slot is wel stevig,’ zei Siem, ‘maar verder zit overal roest.’
Hij tilde het hout een stukje op, en toen braken de scharnieren los.
‘Nee, wacht nou even,’ zei Jasper, maar Siem stond al aan de andere kant. En dus had Jasper geen keus: hij moest zijn broer achterna.
Jasper wist niet zeker of hij zin had in dit avontuur. Achter het hek lag het middenbos. Dat was een wild terrein tussen allerlei tuinen in. Ze wisten niet waar het begon en waar het ophield. Er waren geen duidelijke paden. Niemand hield het bij, waarschijnlijk omdat het niemands eigendom was. Oom Geert had gezegd dat er soms mensen rondliepen. Mensen die in de war waren, of zoiets. ‘Hoezo, in de war?’ had Siem gevraagd.
‘Niks,’ zei oom Geert, ‘niet belangrijk, blijf gewoon uit de buurt.’
Voor Jasper klonk dat onheilspellend genoeg. ‘Siem, laten we teruggaan…’ zei hij, maar toen gebeurde het al. Siem struikelde en lag op de grond.
Daar gáán we weer, dacht Jasper, en hij snelde naar voren om zijn broer te helpen. Maar die stak net op dat moment zijn armen uit, en dus struikelde Jasper ook. ‘Sukkel!’ riep hij. ‘Wat dóé je nou?’
‘Weet ik veel,’ zei Siem. ‘Ik ben over iets zachts gevallen. Een dier, volgens mij. Kijk eens even, wat is het?’
Jasper keek. ‘Ja. Een dier.’
‘Wat voor een?’
Jasper keek nog eens. ‘Een eekhoorn,’ zei hij. ‘Een dooie.’
Ze zaten op de bosgrond, met de eekhoorn tussen hen in. Hij lag voorover op het mos, tussen een paar varens. ‘Hij is zacht,’ zei Siem, die met zijn vingers over de vacht ging, ‘maar wel koud.’
‘Niet doen,’ zei Jasper.
‘Waarom niet?’ vroeg Siem.
‘Niet doen, zeg ik toch,’ zei Jasper. ‘Er zit bloed op zijn lijf.’
‘Ik voel het,’ zei Siem. Hij hield zijn hand omhoog. Die zat vol met kleverig bruin spul.
‘Getver,’ zei Jasper. ‘Veeg het even af aan een boom of zo.’
Siem kwam overeind en tastte om zich heen – maar plotseling hield hij zich stil.
‘Wat is er?’ vroeg Jasper. ‘Hoor je iets?’
‘Ja,’ fluisterde Siem, ‘er staat iemand achter ons.’
Jasper draaide zich om. Het zicht in zijn linkeroog was bijna helemaal goed. Driekwart, zei de dokter, maar hijzelf had niet het gevoel dat hij iets miste. Zeker niet als hij zijn bril op had. Hij tuurde tussen de bomen. ‘Ach man, er is niemand. Je hebt je vergist.’
‘Nee,’ zei Siem.
Jasper had er een hekel aan dat Siem de dingen altijd zo zeker wist. Maar voor de zekerheid keek hij toch nog maar een keer om zich heen.
En ja hoor, Siem mocht dan sinds zijn geboorte al blind zijn – hij had wéér gelijk.
Want nu zag Jasper haar. Het meisje.
Ze was donker, ze was ouder, en ze stond naar Siem te staren.
Nee, naar de bosgrond náást Siem.
‘Wat ligt daar?’ vroeg ze.
‘Wie ben jij?’ vroeg Siem. Hij hield zijn hoofd schuin zodat zijn oor naar het meisje was gedraaid.
‘Linzi,’ zei ze.
Haar stem was zacht en dun.
Jasper bekeek haar wat beter. Ze had een rood T-shirt aan. Haar huid was donker en haar haren waren lang en zwart. Mooi was ze, ja, dat zeker. Maar hoe oud zou ze zijn? Veertien, vijftien? En wat deed ze hier? Was ze misschien een van die gekken waar oom Geert het over had gehad? Nee, dacht Jasper, ze ziet er ongevaarlijk uit.
‘Ik heet Siem,’ zei Siem, ‘en hij is Jasper.’
‘Wat ligt daar?’ vroeg ze nog een keer, iets harder nu.
‘O,’ zei Siem, ‘een dooie eekhoorn.’
Meteen schoot ze naar voren. Ze ging op haar knieën bij het diertje zitten. Haar lange haren hingen bijna op de grond.
‘Mannetje,’ zei ze, ‘mannetje toch…’
Ze pakte takjes. Daarmee draaide ze de eekhoorn op zijn zij.
‘Néé,’ fluisterde ze, ‘néé, néé, néééé!’
Jasper was naast Siem gaan staan, met een hand tegen diens arm zodat Siem voelde waar hij was. Hij boog zich een beetje voorover om de eekhoorn te zien. Die zag er eng uit. Zijn ogen waren geen ogen meer, maar doffe dingetjes, grijs en weggedraaid. En zijn buik lag bijna helemaal open. Er zat een gat in, zwart. Overal hard bloed.
‘Wat is er?’ vroeg Jasper aan Linzi.
‘Ik weet het zeker,’ zei ze, en het klonk alsof ze op het punt stond om in huilen uit te barsten, ‘hij is vermoord.’
‘Vermóórd?’ riepen Siem en Jasper tegelijkertijd.
‘Ja,’ zei Linzi. ‘Met een dartpijl.’
Siem begon te giechelen. Dat deed hij altijd als hij zenuwachtig werd. ‘Met een dartpijl? Is Raymond van Barneveld in de buurt?’
‘Geen gegooide dartpijl,’ zei Linzi, zachtjes en ernstig, ‘maar een geschoten. Dat kan niet anders. Ik heb er al meer gevonden vandaag. Hier zal er ook wel ergens eentje liggen.’
‘Oké,’ zei Siem, ‘dan gaan we die zoeken.’
Jasper keek opzij naar zijn broer. Siem hield van plannen. Siem deed overal aan mee. Hijzelf aarzelde nog, maar lang kon hij niet nadenken, want opeens gebeurde er iets geks: een vreemde wind stak op.
De hele dag was het stilstaand zomerweer geweest, en nu blies er plotseling een korte, hijgerige bries. Alsof de wind een mond had, een mond die drie keer in Jaspers oor ademde.
Hh, hh, hh.